Wie zijn CO₂-voetafdruk wil berekenen of rapporteren, stuit vrijwel meteen op de termen scope 1, 2 en 3. Ze komen uit het GHG Protocol Corporate Standard — de wereldwijde standaard voor het inventariseren van broeikasgasemissies. Het onderscheid tussen de drie scopes bepaalt wat u zelf kunt meten, wat u via leveranciers moet ophalen, en wat de betrouwbaarheid van uw rapportage is. Meer dan 90% van de Fortune 500-bedrijven rapporteert op basis van het GHG Protocol, en ook voor het Nederlandse MKB wordt de systematiek steeds relevanter nu CSRD, de CO₂-Prestatieladder en ISO 14068-1 meer organisaties verplichten of stimuleren om hun uitstoot te kwantificeren.
Waarom het GHG Protocol het fundament is van CO₂-rapportage
Het Greenhouse Gas Protocol (GHG Protocol) is een samenwerking tussen het World Resources Institute (WRI) en de World Business Council for Sustainable Development (WBCSD). De Corporate Standard dateert uit 2001 en is sindsdien de facto norm geworden voor vrijwillige en verplichte klimaatrapportage wereldwijd. Bijna alle andere standaarden — CSRD/ESRS, de CO₂-Prestatieladder, ISO 14064, ISO 14068 — bouwen voort op of sluiten aan bij het GHG Protocol.
De kern van de systematiek is een driedeling in scopes die bepaalt wie verantwoordelijk is voor welke emissies. Scope 1 zijn uw eigen directe emissies. Scope 2 zijn de indirecte emissies van ingekochte energie. Scope 3 omvat alle overige ketengerelateerde emissies. Die driedeling voorkomt dubbeltellingen: de scope 1-emissies van uw energieleverancier (de centrale die stroom opwekt) worden uw scope 2-emissies, niet nogmaals scope 1.
Scope 1: directe emissies uit eigen bronnen
Scope 1 omvat alle broeikasgassen die vrijkomen uit bronnen die u direct bezit of beheert. Het gaat altijd om emissies die plaatsvinden op uw eigen locatie of door uw eigen voertuigen. Scope 1 is de categorie die u zelf direct kunt meten en ook direct kunt beïnvloeden — door over te stappen op elektrische voertuigen, de cv-installatie te vervangen of processen te optimaliseren.
Concrete voorbeelden van scope 1-bronnen:
- Gasverbruik van een cv-ketel of productie-installatie op uw terrein
- Brandstofverbruik van bedrijfsauto’s op benzine, diesel of LPG
- Lekkage van koudemiddelen (F-gassen) uit airconditioning of koelcellen
- Verbrandingsprocessen in productieapparatuur die u eigenaar van bent
- Stookinstallaties voor procesverwarming (ovens, branders, stoomketels)
- Noodstroomaggregaten die draaien op diesel
- Laboratoriumgassen die vrijkomen tijdens processen
Hoe berekent u scope 1? U vermenigvuldigt het gemeten verbruik met een emissiefactor. Enkele veelgebruikte emissiefactoren voor 2025:
- Aardgas: 1,79 kg CO₂e per m³ (inclusief hogere methaanemissies bij winning en transport)
- Diesel: 2,65 kg CO₂e per liter
- Benzine: 2,31 kg CO₂e per liter
- LPG: 1,63 kg CO₂e per liter
- R-410A koudemiddel (lekkage): 2.088 kg CO₂e per kg uitgestoten gas
De benodigde data staat doorgaans op uw energierekeningen, tankpassen en onderhoudsbonnen van uw koelinstallaties. F-gasverlies is vaak het meest onderbelichte scope 1-onderdeel: een klein lek in een grote koelcel kan jaarlijks meerdere tonnen CO₂e-equivalent uitstoten, soms meer dan het totale gasverbruik.
Rekenvoorbeeld voor een mkb-bedrijf met 10 bestelbussen en een kantoor:
- Gasverbruik kantoor: 15.000 m³ per jaar × 1,79 = 26,9 ton CO₂e
- Dieselverbruik bestelbussen: 10 bussen × 15.000 km × 0,08 L/km × 2,65 = 31,8 ton CO₂e
- F-gaslekkage koelcel: 2 kg R-410A × 2.088 = 4,2 ton CO₂e
- Totaal scope 1: circa 62,9 ton CO₂e per jaar
Scope 2: indirecte emissies via ingekochte energie
Scope 2 gaat over de CO₂-uitstoot die vrijkomt bij de opwekking van energie die u inkoopt maar niet zelf produceert. U stoot de CO₂ niet zelf uit — dat doet de energiecentrale — maar uw verbruik is de oorzaak. Voor veel kantoor- en dienstverlenende bedrijven is scope 2 de grootste één categorie van directe plus indirecte emissies, omdat gebouwen en computerapparatuur veel stroom verbruiken.
Concrete voorbeelden van scope 2-bronnen:
- Elektriciteitsverbruik uit het net (kantoorverlichting, computers, productie)
- Stoom of warmte afgenomen van een extern warmtenet of leverancier
- Koeling afgenomen van een extern koudesysteem
Het GHG Protocol onderscheidt twee berekeningsmethoden voor scope 2, en u wordt geacht beide te rapporteren:
- Location-based: u gebruikt de gemiddelde emissiefactor van het nationale elektriciteitsnet. Voor Nederland was dat in 2025 circa 0,38 kg CO₂e per kWh. Deze factor daalt jaarlijks naarmate het aandeel hernieuwbaar in de landelijke energiemix toeneemt.
- Market-based: u gebruikt de emissiefactor van uw specifieke energiecontract. Bij gecertificeerde groene stroom met garanties van oorsprong (GvO’s) is die factor vrijwel nul. Bij een grijze stroomleverancier zonder GvO’s gebruikt u de ‘residualmix’ factor van het land, die hóóger kan zijn dan de gemiddelde netfactor.
Overstappen op groene stroom met GvO’s is daarmee de snelste manier om scope 2 te elimineren in de market-based methode. Let u er op dat u de juiste GvO’s krijgt: ze moeten betrekking hebben op het jaar van uw verbruik en afkomstig zijn van een erkend register (in Nederland: CertiQ, tegenwoordig onderdeel van TenneT Certification).
Rekenvoorbeeld voor hetzelfde bedrijf:
- Elektriciteitsverbruik kantoor: 80.000 kWh per jaar
- Location-based: 80.000 × 0,38 = 30,4 ton CO₂e
- Market-based (groene stroom met GvO): 80.000 × 0,00 = 0 ton CO₂e
Het verschil laat zien waarom de keuze van berekeningsmethode groot effect heeft op het gerapporteerde getal — en waarom sommige bedrijven twee totaalcijfers publiceren.
Scope 3: alle overige ketengebonden emissies
Scope 3 omvat alle broeikasgasemissies in uw waardeketen die niet onder scope 1 of 2 vallen. Dit zijn emissies die plaatsvinden bij derden — uw leveranciers, transporteurs, klanten en werknemers — maar die het gevolg zijn van uw bedrijfsactiviteiten. Voor de meeste kantoor- en dienstverlenende bedrijven vertegenwoordigt scope 3 meer dan 80% van de totale CO₂-voetafdruk.
Het GHG Protocol onderscheidt 15 scope 3-subcategorieën, verdeeld over upstream (categorie 1 t/m 8) en downstream (categorie 9 t/m 15):
- Categorie 1 — ingekochte goederen en diensten: de CO₂-voetafdruk van alles wat u inkoopt, van grondstoffen tot kantoorartikelen, IT-apparatuur en zakelijke diensten. Dit is voor de meeste bedrijven de grootste scope 3-categorie.
- Categorie 2 — kapitaalgoederen: machines, gebouwen en andere investeringen waarvoor u kapitaaluitgaven doet.
- Categorie 3 — brandstof- en energiegerelateerde activiteiten (niet in scope 1 of 2): de upstream-emissies bij de winning en transport van brandstof en energie die u gebruikt.
- Categorie 4 — upstream transport en distributie: vrachttransport van uw leveranciers naar uw locatie.
- Categorie 5 — afval gegenereerd door bedrijfsactiviteiten: de verwerking van afval dat uw activiteiten produceren.
- Categorie 6 — zakelijke reizen: vluchten, treinen, hotels en taxi’s op naam van uw medewerkers.
- Categorie 7 — woon-werkverkeer: hoe uw medewerkers dagelijks van huis naar het werk reizen.
- Categorie 8 — upstream geleaste activa: emissies van gebouwen of apparatuur die u least maar niet in eigendom heeft.
- Categorie 9 — downstream transport en distributie: transport van uw producten naar klanten, betaald door de klant.
- Categorie 10 — verwerking van verkochte producten: aanvullende verwerking van uw halffabricaten door afnemers.
- Categorie 11 — gebruik van verkochte producten: de CO₂ die vrijkomt als uw klanten uw producten gebruiken (bijv. energieverbruik van electronics of ketels).
- Categorie 12 — end-of-life behandeling van verkochte producten: de verwerking van uw producten aan het einde van hun levensduur.
- Categorie 13 — downstream geleaste activa: emissies van activa die u verhuurt aan anderen.
- Categorie 14 — franchises: emissies van franchisenemenrs.
- Categorie 15 — investeringen: emissies gerelateerd aan aandelen en obligaties in uw portefeuille (relevant voor financiers en asset managers).
Voor de meeste kantoor- en dienstverlenende bedrijven vertegenwoordigt scope 3 meer dan 80% van de totale CO₂-voetafdruk — terwijl de meeste rapportages alleen scope 1 en 2 bevatten.
De vijf meest relevante scope 3-categorieën voor het Nederlandse MKB
Niet elke organisatie hoeft alle 15 categorieën te rapporteren. De GHG Protocol Corporate Value Chain Standard stelt dat u categorieën mag weglaten als ze ‘niet materieel’ zijn — maar u moet dan onderbouwen waarom. Praktisch beginpunt voor een gemiddeld MKB-bedrijf in dienstverlening of handel:
- Categorie 1 (inkoop): begin met uw tien grootste leveranciers op inkoopwaarde. Via de spend-based methode vermenigvuldigt u de inkoopwaarde in euro’s met een sector-emissiefactor (beschikbaar via Ecoinvent, EXIOBASE of de gratis DEFRA-dataset).
- Categorie 6 (zakelijke reizen): vluchten zijn doorgaans de grootste bron. Gebruik de ICAO carbon calculator of een tool als Atmosfair voor nauwkeurige vluchtdata per medewerker.
- Categorie 7 (woon-werkverkeer): u kunt een jaarlijkse survey uitsturen aan medewerkers met vragen over vervoersmiddel, reisafstand en aantal werkdagen per jaar.
- Categorie 4 (upstream transport): vraag uw logistieke partners om vrachtkilometerdata en het gebruikte transportmiddel (vrachtwagen klasse, trein, schip).
- Categorie 11 (gebruik van verkochte producten): relevant als u apparatuur, software of energiecomponenten verkoopt — bereken het jaarlijkse energieverbruik van een gemiddeld product gedurende zijn levensduur.
Berekeningsmethoden voor scope 3
Het GHG Protocol erkent drie hoofdmethoden voor scope 3-berekening, van laagste tot hoogste nauwkeurigheid:
- Spend-based methode: u vermenigvuldigt uw inkoopuitgaven per categorie met een economische emissiefactor (kg CO₂e per euro). Snelste methode om een eerste overzicht te krijgen, maar ook de minst nauwkeurige: het gaat uit van gemiddelden en houdt geen rekening met de werkelijke productmix van uw leverancier.
- Activiteitsdata-methode: u gebruikt werkelijke hoeveelheden (kilogram ingekocht materiaal, kilometerstand, kWh verbruikt) en vermenigvuldigt die met specifiekere emissiefactoren. Nauwkeuriger, maar vereist meer dataverzameling bij leveranciers.
- Leveranciersspecifieke methode: uw leverancier levert zijn eigen, geverifieerde CO₂-voetafdrukdata per product of dienst. Hoogste nauwkeurigheid, maar vereist dat uw leveranciers zelf al rapporteren — dat is voor veel MKB-leveranciers nog niet het geval.
Waarom is scope 3 het moeilijkst?
Scope 3-data verzamelen is complex om drie redenen. Ten eerste bent u afhankelijk van informatie van andere partijen: leveranciers, vervoerders en werknemers moeten data aanleveren die ze zelf misschien niet bijhouden. Ten tweede is de omvang groot: categorie 1 (inkoop van goederen en diensten) kan tientallen leveranciers omvatten, elk met hun eigen voetafdruk. Ten derde is de nauwkeurigheid beperkt: de meest gebruikte methode — spend-based berekening via sector-emissiefactoren — geeft een schatting, geen exacte meting. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat de onzekerheid in scope 3-berekeningen soms 50% of meer bedraagt.
Praktisch beginpunt: identificeer de drie scope 3-categorieën die waarschijnlijk het zwaarst wegen voor uw sector en begin daar met dataverzameling. Gebruik de spend-based methode als tussenoplossing; vervang die geleidelijk door activiteitsdata van de grootste leveranciers. Stel leveranciers jaarlijks een standaard vragenlijst toe — dit helpt ook hen om hun eigen voetafdruk beter te begrijpen.
Welke scopes zijn verplicht?
Dat hangt af van de norm of wet die van toepassing is:
- CO₂-Prestatieladder niveau 3: scope 1, 2 en geselecteerde scope 3-categorieën (minimaal de meest materieel relevante voor uw sector)
- ISO 14068-1:2023 (klimaatneutraliteitsclaim): scope 1 en 2 verplicht; scope 3 waar materieel (meer dan 1% van totaal)
- CSRD (Omnibus: meer dan 1.000 medewerkers en meer dan 450 miljoen euro omzet): scope 1, 2 én 3 volledig verplicht via ESRS E1
- SBTi net-zero: scope 3 verplicht als het meer dan 40% van de totale emissies uitmaakt — dat is voor bijna alle bedrijven het geval
- CDP-rapportage: scope 1, 2 en 3 worden uitgevraagd; onvolledige scope 3-rapportage leidt tot lagere scores
Voor MKB dat begint met CO₂-rapportage: start met scope 1 en 2 als fundament, en voeg de zwaarste scope 3-categorieën toe zodra u die betrouwbaar kunt kwantificeren. Zo bouwt u uw rapportage stapsgewijs op en voorkomt u dat u een onvolledig beeld publiceert.
Praktische stappen voor de eerste CO₂-inventarisatie
- Stel een organisatiegrenzen vast: welke entiteiten en locaties vallen onder uw rapportage? Gebruikt u de equity-share methode of de operational control methode?
- Verzamel energiedata: vraag de jaaroverzichten op bij uw energieleverancier; exporteer tankpasdata; inventariseer alle koelinstallaties via de onderhoudsdienst.
- Bereken scope 1 en 2: gebruik de emissiefactoren van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) of de CO₂-emissiefactoren van de Milieucentrale.
- Identificeer de top-3 scope 3-categorieën: gebruik de spend-based methode als eerste grove schatting via tools zoals Climatiq of de gratis DEFRA-spreadsheet.
- Documenteer uw datakwaliteit: noteer per categorie of u gemeten data, berekende data of schattingen gebruikt — dit is vereist bij externe verificatie.
- Stel een basisjaar vast: gebruik het eerste volledige jaar waarvoor u betrouwbare data heeft als basisjaar voor trendvergelijking.
Veelgemaakte fouten bij scope-berekeningen
- F-gas weglaten: koudemiddellekkage is scope 1, maar wordt vaak vergeten omdat er geen factuur voor is. Controleer het onderhoudsdossier van elke koelinstallatie.
- Lease-auto’s verkeerd categoriseren: brandstofverbruik van operational-lease voertuigen is scope 1 als u de brandstofkosten betaalt (operational control). Is dat niet zo, dan valt het onder scope 3 categorie 8.
- Market-based en location-based door elkaar halen: rapporteer altijd béide methoden en geef duidelijk aan welke u als primaire methode hanteert.
- Vintage en vintage-year verwarren: de emissiereductie in een scope 3-berekening moet betrekking hebben op het rapportagejaar, niet op een ander jaar.
Over de auteur
Redactie CO₂Neutraal.com
Team van domeinexperts
De redactie van CO₂Neutraal.com bestaat uit een team van domeinexperts met expertise in klimaatstrategie, CO₂-reductie, duurzame financiering en Europese regelgeving. Artikelen komen tot stand op basis van wetenschappelijke literatuur, beleidsdocumenten, normdocumentatie en sectorrapportages.