Gratis toegangGeschreven door vakexperts154 kennisartikelen beschikbaar
CO₂Neutraal
Bedrijven15 juli 2026 · 7 min lezen

Scope 1, 2 en 3: wat is het en wat valt er onder?

Het GHG Protocol onderscheidt drie scopes voor broeikasgasemissies. Scope 3 is doorgaans de grootste, maar ook de moeilijkste om te meten. Wat valt precies onder welk scope?

Geschreven doorRedactie CO₂Neutraal.com

Als u begint met het berekenen van uw CO2-voetafdruk, stuit u al snel op het begrip 'scopes'. Het GHG Protocol — de mondiale standaard voor het inventariseren van broeikasgasemissies — verdeelt alle uitstoot in drie categorieën. Die opdeling bepaalt wat u zelf kunt meten, wat u bij uw leveranciers moet ophalen, en wat u misschien voorlopig buiten beschouwing laat. Dit artikel legt de drie scopes gedetailleerd uit, met praktijkvoorbeelden, emissiefactoren, veelgemaakte fouten en aanpakken voor scope 3-data.

Waarom het GHG Protocol de standaard is

Het Greenhouse Gas Protocol is ontwikkeld door het World Resources Institute (WRI) en de World Business Council for Sustainable Development (WBCSD) en wordt wereldwijd erkend als de standaard voor het meten van broeikasgasemissies. De EU-richtlijnen waaronder CSRD, de CO2-Prestatieladder, de Science Based Targets initiative en ISO 14064 zijn allemaal gebaseerd op of compatibel met het GHG Protocol. Als u een voetafdruk opstelt volgens het GHG Protocol, is de data herbruikbaar voor vrijwel alle rapportageverplichtingen en certificeringen die uw bedrijf ooit nodig zal hebben.

Het GHG Protocol onderscheidt zeven broeikasgassen: CO2, methaan (CH4), lachgas (N2O), fluorkoolwaterstoffen (HFCs), perfluorkoolstofverbindingen (PFCs), zwavelhexafluoride (SF6) en stikstoftrifluoride (NF3). Al deze gassen worden omgerekend naar CO2-equivalenten (CO2e) via de zogeheten Global Warming Potential-waarden. Methaan heeft een GWP van 28, wat betekent dat 1 kilogram methaan even sterk opwarmt als 28 kilogram CO2 over een periode van 100 jaar.

Scope 1: uw directe uitstoot

Scope 1 omvat alle emissies die direct uit uw eigen bronnen vrijkomen. Denk aan:

  • Verbranding van aardgas in uw verwarmingsinstallatie of productieproces
  • Brandstofverbruik van bedrijfsvoertuigen op benzine, diesel of LPG
  • Koelmiddelen die vrijkomen uit airconditioning of koelcellen (zogenoemde F-gassen)
  • Verbrandingsprocessen in productieapparatuur die u zelf bezit en beheert
  • Generatorsets die op diesel draaien bij stroomuitval of op externe locaties
  • Procesemissies bij productie, zoals CO2 die vrijkomt bij cementproductie of fermentatie

Scope 1 is relatief eenvoudig te meten: de gegevens staan op uw energierekening en tankpassen. Voor de meeste kantoororganisaties is scope 1 een beperkt deel van de totale voetafdruk, maar voor productie- en transportbedrijven kan het 60 tot 80 procent van de totale uitstoot uitmaken.

Typische emissiefactoren voor scope 1 in Nederland zijn:

  • Aardgas: 1,884 kg CO2e per kubieke meter (inclusief methaanemissies bij winning en transport)
  • Diesel: 2,64 kg CO2e per liter
  • Benzine: 2,31 kg CO2e per liter
  • LPG (propaan): 1,55 kg CO2e per liter

Een onderschat onderdeel van scope 1 zijn vrijkomende koelmiddelen, ook wel F-gassen genoemd. R-410A, een veel gebruikte koelvloeistof in airconditioningsystemen, heeft een GWP van 2.088 — elk kilogram dat lekt is gelijk aan ruim 2 ton CO2e uitstoot. Vraag uw onderhoudsbedrijf elk jaar om een lekrapportage en neem deze emissies op in uw inventaris.

Scope 2: indirect via ingekochte energie

Scope 2 gaat over de uitstoot die vrijkomt bij de opwekking van de energie die u inkoopt, maar niet zelf opwekt. In de praktijk gaat het om:

  • Elektriciteitsverbruik — de CO2-uitstoot hangt af van hoe de stroom is opgewekt in de energiemix van het net
  • Stoom, warmte of koude die u via een net of van een externe leverancier afneemt

Het GHG Protocol onderscheidt twee methoden voor scope 2:

  • Location-based — u gebruikt de gemiddelde emissiefactor van het nationale elektriciteitsnet. In Nederland bedroeg deze factor in 2023 gemiddeld 0,349 kg CO2e per kWh. Dit getal daalt jaarlijks naarmate de energiemix groener wordt.
  • Market-based — u gebruikt de emissiefactor van uw specifieke energiecontract. Bij gecertificeerde groene stroom met garanties van oorsprong (GvO's) is de factor (vrijwel) nul.

Als u groene stroom inkoopt met garanties van oorsprong, mag u bij de market-based methode een factor van nul gebruiken — wat een significante daling van uw scope 2-uitstoot geeft. De meeste normen vereisen dat u beide methoden rapporteert, waarbij de market-based methode de primaire waarde is voor uw reductiedoelstelling.

Let op bij warmtenetten: de emissiefactor van stadsverwarming varieert sterk per aanbieder en per stad. Warmte afkomstig van industriele restwarmte heeft een veel lagere factor dan warmte die primair door gasketels wordt opgewekt. Vraag uw warmteleverancier om een jaarlijkse emissiefactor in kg CO2e per GJ of per MWh.

Scope 3: alle overige ketenuitstoot

Scope 3 is veruit de grootste en meest complexe categorie. Het omvat alle indirecte emissies in uw waardeketen — zowel upstream (toeleveranciers) als downstream (klanten en gebruik). Het GHG Protocol onderscheidt 15 subcategorieën, waarvan de meest relevante voor MKB zijn:

  • Ingekochte goederen en diensten (categorie 1) — de CO2 die vrijkomt bij de productie van alles wat u inkoopt. Voor veel bedrijven de allergrootste scope 3-post.
  • Kapitaalgoederen (categorie 2) — de CO2-voetafdruk van machines, hardware en gebouwen die u aanschaft, verdeeld over de gebruiksperiode.
  • Brandstof- en energiegerelateerde activiteiten (categorie 3) — emissies die niet in scope 1 of 2 vallen, zoals de winning en raffinage van de brandstof die u gebruikt.
  • Upstream transport en distributie (categorie 4) — CO2 van transport van goederen naar uw bedrijf door externe vervoerders.
  • Afval gegenereerd door uw activiteiten (categorie 5) — de uitstoot van verwerking van uw bedrijfsafval, inclusief storten en verbranden.
  • Zakelijke reizen (categorie 6) — vluchten, treinreizen, hotelverblijven en huurauto's van uw medewerkers.
  • Woon-werkverkeer (categorie 7) — het woon-werkverkeer van uw medewerkers, inclusief thuiswerkers voor wie u een aanname maakt over verwarming en elektriciteit thuis.
  • Upstream geleaste activa (categorie 8) — gebouwen of apparatuur die u leaset en niet in uw scope 1 of 2 heeft opgenomen.
  • Downstream transport (categorie 9) — CO2 van levering van uw producten aan klanten door externe vervoerders.
  • Gebruik van verkochte producten (categorie 11) — de CO2 die vrijkomt als uw klanten uw product gebruiken, bijvoorbeeld elektriciteitsverbruik van een apparaat dat u verkoopt.
  • End-of-life verwerking van verkochte producten (categorie 12) — emissies bij afdanking en verwerking van uw producten na gebruik door de eindgebruiker.
Voor veel kantoororganisaties vertegenwoordigt scope 3 meer dan 80% van de totale CO2-voetafdruk. Toch rapporteren de meeste bedrijven alleen scope 1 en 2.

Praktijkvoorbeelden per bedrijfstype

Om de drie scopes concreter te maken, hier enkele voorbeelden per bedrijfstype:

Webbureau met 20 medewerkers: Scope 1 is vrijwel nul (geen eigen voertuigen, geen gasverbruik voor productieprocessen). Scope 2 is het elektriciteitsverbruik van kantoor en eventuele eigen servers. Scope 3 domineert volledig: inkoop van hardware (categorie 2), cloudhosting bij externe datacenters (categorie 1), woon-werkverkeer (categorie 7) en zakelijke vluchten (categorie 6) vormen samen doorgaans 85 tot 95 procent van de totale footprint. Het ontkennen van scope 3 leidt bij dit type bedrijf tot een ernstige onderschatting.

Transportbedrijf met 50 vrachtauto's: Scope 1 is dominant — brandstofverbruik van de eigen vloot maakt doorgaans 70 tot 80 procent van de totale footprint uit. Scope 2 is energie van depots, wasstraten en kantoor. Scope 3 omvat ingehuurde transporteurs (categorie 4) en bandenproductie (categorie 1). De grootste reductiemaatregel is hier elektrificatie of waterstof voor het wagenpark.

Maakindustrie (kunststofonderdelen): Scope 1 bevat proceswarmte en verbrandingsovens. Scope 2 is elektriciteit voor productiemachines, spuitgietmachines en compressoren. Scope 3 is groot door inkoopvolumes van grondstoffen (categorie 1) — de CO2-footprint van het granulaat en andere polymeren — en het gebruik van de producten door klanten (categorie 11).

Welke scopes zijn verplicht?

Dat hangt af van de norm of het kader dat u volgt:

  • CO2-Prestatieladder niveau 3: scope 1, 2 en de zwaarste scope 3-categorieën (samen minstens 80 procent van de totale scope 3) zijn verplicht.
  • ISO 14068-1:2023: scope 1 en 2 zijn verplicht; scope 3 moet worden meegenomen voor zover 'materieel', dat wil zeggen meer dan 1 procent van het totaal.
  • CSRD (voor grote ondernemingen boven de Omnibus-drempel): alle drie de scopes zijn verplicht te rapporteren.
  • SBTi net-zero standaard: scope 3 is verplicht als het meer dan 40 procent van de totale emissies uitmaakt — wat voor de meeste dienstverlenende bedrijven het geval is.

Meest gemaakte fouten per scope

Op basis van auditervaring zijn dit de vaakst voorkomende fouten bij CO2-inventarisaties:

  • Scope 1 — F-gassen vergeten: bedrijven met koelinstallaties of airconditioningsystemen laten dit structureel buiten beschouwing, terwijl het soms de grootste scope 1-post is. Zeker bij oudere installaties kan lekkage significant zijn.
  • Scope 2 — verkeerde emissiefactor: bedrijven die groene stroom inkopen met GvO's, gebruiken soms toch de location-based factor, waardoor hun voetafdruk te hoog uitvalt en reductiepotentieel onzichtbaar blijft.
  • Scope 3 — alleen de makkelijke categorieën: zakelijke vluchten en woon-werkverkeer worden meegenomen, maar de materialiteitsanalyse voor alle 15 categorieën wordt overgeslagen. Dit leidt tot een onvolledige en niet-conforme inventaris.
  • Scope 3 — dubbeltelling bij spend-based methode: als u voor categorie 1 de spend-based methode gebruikt, moet u voorkomen dat posten die al in scope 1 of 2 zitten (zoals energiekosten) opnieuw worden meegeteld in de inkoopbedragen.

Tools en software voor scope-berekeningen

Er zijn meerdere tools beschikbaar om uw CO2-inventaris op te stellen:

  • SKAO CO2-tool: gratis, specifiek voor de CO2-Prestatieladder. Begeleidt u door de vereiste stappen en genereert automatisch de vereiste rapportage in het juiste format.
  • Greenly, Sweep of Coolset: SaaS-platforms voor bredere voetafdrukberekeningen, met koppelingen naar boekhoudpaketten en ERP-systemen. Geschikt voor MKB dat ook CSRD-rapportage wil integreren.
  • Ecoinvent-database: de meest complete emissiefactorendatabase ter wereld, openbaar toegankelijk voor basisgebruik. Veelgebruikt door adviseurs voor het opzoeken van nauwkeurige factoren per materiaalstroom of proces.
  • Nationaal emissiefactorenregister (NEa): voor Nederlandse bedrijven binnen het EU ETS; bevat sectorspecifieke emissiefactoren die aansluiten op Nederlandse rapportageverplichtingen.

Hoe verzamelt u scope 3-data?

Scope 3-data is lastig te verzamelen omdat u afhankelijk bent van informatie van derden. Drie praktische aanpakken:

  • Spend-based: reken uw inkoopbedragen om met emissiefactoren per euro uitgegeven in een bepaalde sector. Snel te implementeren, maar onnauwkeurig en vatbaar voor dubbeltelling.
  • Activiteitsdata: vraag leveranciers om concrete verbruikscijfers (kWh, kg, km). Nauwkeuriger, maar tijdrovend en afhankelijk van bereidheid van leveranciers om data te delen.
  • Hybride: gebruik activiteitsdata voor de grootste posten — zakelijk vliegverkeer, woon-werkverkeer en de top-3-leveranciers — en spend-based voor alle overige categorieën.

Begin met de categorieën die waarschijnlijk het zwaarst wegen voor uw specifieke bedrijfsprofiel. Voor een webbureau zijn dat waarschijnlijk inkoop van hardware en software en woon-werkverkeer. Voor een transportbedrijf is het brandstofverbruik van ingehuurde vervoerders dominant. Voor een maakbedrijf is het de inkoop van grondstoffen.

Van meting naar reductie: prioriteiten per scope

Zodra uw inventaris klaar is, kunt u prioriteiten stellen voor reductie. Vuistregels per scope:

  • Scope 1: focus op vervoer en verwarming. Elektrificeer uw wagenpark en schakel over op een warmtepomp voor ruimteverwarming en procesverwarming. Dit zijn de grootste reducieerbare posten met bewezen technologie en vaak een positieve businesscase via lagere brandstofkosten.
  • Scope 2: ga naar 100 procent gecertificeerde hernieuwbare elektriciteit met garanties van oorsprong. Dit elimineert uw scope 2-emissies direct en volledig bij de market-based methode. Investeer ook in zonnepanelen om een deel zelf op te wekken en uw energierekening te verlagen.
  • Scope 3: dit vereist samenwerking met leveranciers en klanten. Begin met de grootste categorie voor uw bedrijfstype. Stel een preferentielijst op van leveranciers met een lagere CO2-voetafdruk, en bouw dit geleidelijk in uw inkoopbeleid in. Stimuleer uw medewerkers met een fietsvergoeding of OV-abonnement om de woon-werkemissies te verlagen.

Over de auteur

Redactie CO₂Neutraal.com

Team van domeinexperts

De redactie van CO₂Neutraal.com bestaat uit een team van domeinexperts met expertise in klimaatstrategie, CO₂-reductie, duurzame financiering en Europese regelgeving. Artikelen komen tot stand op basis van wetenschappelijke literatuur, beleidsdocumenten, normdocumentatie en sectorrapportages.

MarktoverzichtenVergelijkende analyseKlimaatstrategieBeleid & regelgeving

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen scope 1, 2 en 3 in eenvoudige bewoording?
Scope 1 is de CO2 die uw bedrijf zelf direct uitstoot, zoals gas voor verwarming en brandstof in uw eigen voertuigen. Scope 2 is de CO2 die vrijkomt bij de opwekking van de elektriciteit of warmte die u inkoopt — u stoot het niet zelf uit, maar u bent er de oorzaak van. Scope 3 is alles wat in de keten rondom uw bedrijf gebeurt: de productie van wat u inkoopt, het transport dat anderen voor u verzorgen, het reisgedrag van uw medewerkers en het gebruik van uw producten door klanten. Scope 3 is doorgaans de grootste categorie, maar ook de moeilijkste om te meten.
Hoe bereken ik de CO2-uitstoot van mijn elektriciteitsverbruik?
U vermenigvuldigt uw jaarlijks elektriciteitsverbruik in kWh met een emissiefactor in kg CO2e per kWh. Er zijn twee methoden. De location-based methode gebruikt de gemiddelde emissiefactor van het Nederlandse elektriciteitsnet, in 2023 circa 0,349 kg CO2e per kWh. De market-based methode gebruikt de factor van uw specifieke energiecontract — bij gecertificeerde groene stroom met garanties van oorsprong is dit (vrijwel) nul. De meeste rapportagekaders vereisen dat u beide waarden rapporteert en de market-based waarde als primaire meetwaarde hanteert voor uw reductiedoelstelling.
Moet ik scope 3 meten als ik alleen de CO2-Prestatieladder nastreef?
Ja, scope 3 is verplicht bij de CO2-Prestatieladder vanaf niveau 3. Onder versie 4.0 van het handboek (2025) geldt dat u een materialiteitsanalyse uitvoert over alle 15 GHG Protocol-categorieën van scope 3, en vervolgens de drie categorieën die samen minstens 80 procent van uw scope 3-uitstoot vertegenwoordigen in detail uitwerkt. Het overslaan van scope 3 of het incompleet rapporteren ervan is een van de meest voorkomende redenen voor vertraging tijdens de audit.
Wat is de spend-based methode voor scope 3 en wanneer gebruik ik die?
De spend-based methode is een benadering waarbij u uw inkoopuitgaven per categorie vermenigvuldigt met een emissiefactor uitgedrukt in kg CO2e per euro besteed in die sector. De methode is snel toe te passen zonder dat u data van leveranciers nodig heeft, maar kent een lage nauwkeurigheid: de factor is gebaseerd op sectorgemiddelden en houdt geen rekening met de specifieke productiewijze van uw leveranciers. Gebruik de spend-based methode voor kleinere of moeilijk meetbare categorieën, en activiteitsdata (kWh, kg, km) voor de categorieën die het zwaarst wegen in uw footprint.
Verandert de emissiefactor voor Nederlandse stroom elk jaar?
Ja, de emissiefactor voor het Nederlandse elektriciteitsnet (de location-based factor) verandert jaarlijks op basis van de daadwerkelijke energiemix in Nederland. Naarmate meer wind- en zonne-energie aan het net wordt toegevoegd, daalt de gemiddelde factor. In 2020 lag de factor nog op circa 0,45 kg CO2e per kWh, in 2023 was dat gedaald naar circa 0,349 kg CO2e per kWh. Voor uw inventaris gebruikt u altijd de factor die geldt voor het rapportagejaar. De meest actuele waarden vindt u via het Nationaal emissiefactorenregister (NEa) of via CBS Statline.
Hoe ga ik om met scope 3-emissies van thuiswerkende medewerkers?
Thuiswerken valt onder scope 3, categorie 7 (woon-werkverkeer). Voor thuiswerkdagen neemt u de CO2 van het elektriciteits- en gasverbruik thuis mee dat aan werken wordt toegerekend. Dit berekent u doorgaans via een aanname: gemiddeld energieverbruik per thuiswerkdag per medewerker, vermenigvuldigd met de emissiefactor van het thuisenergieverbruik. Gangbare aannames zijn 2 tot 4 kWh elektriciteit en 0,3 tot 0,5 kubieke meter gas per thuiswerkdag. Sommige CO2-tools en het GHG Protocol Scope 3 Evaluator bieden hiervoor standaardaannames die u kunt gebruiken als u geen detaildata heeft.
📋

Gratis gids

CO₂-aanbieder vergelijkingsgids

Alle 11 categorieën uitgelegd — met selectiecriteria en veelgestelde vragen.

Privacybeleid.

Direct lezen →
DelenLinkedInX

Blijf op de hoogte

Maandelijks CO₂-nieuws voor Nederlands MKB.

Wekelijks. Geen spam. Afmelden kan altijd. Privacybeleid.